Ronde tafel conferentie over Don José María Hernández de Garnica

Afgelopen donderdag 18 februari 2010, om 19.00 uur werd in de Conferentiezaal van Montalegre een ronde tafel conferentie gehouden rond de figuur van Don José María Hernández de Garnica.

De sessie begon met enkele welkomstwoorden van de Eerwaarde Francesc Perarnau, Rector van Montalegre, waarmede hij de team voorstelde die in de kerk is gevormd met de bedoeling om de fuguur van de Dienaar Gods te kennen te geven en zodoende zijn privee devotie te helpen verspreiden. Vervolgens, de Heer Joaquim Burgués, voozitter van het comitee, gaf zijn meest nabij komende doelstellingen te kennen met het enthousiasme om de figuur van Don José María steeds meer in vele guisen bekend te maken, waarbij hij aan de aanwezigen heroote aanmoedigde om in deze inspanning mee te willen helpen.

Het belangrijkste deel van deze zitting bestond in de prejectie van het DVD “Langs de wegen van Europa”, dat een levensbeschrijving bevat van Don José María Hernández de Garnica, en dat door “Producciones Goya” is verzorgd.

De sessie werd afgeloten met korte voordrachten van twee mensen die hem in zijn leven meemaakten

Op de eerste plaats, María Jesús Luna vertelde haar herinneringen over hem in de jaren die hij als Regional Vicaris in Parijs doormaakte, en ook nog andere anekdoten die rond enkele apostolische initiatieven van het Opus Dei in Spanje plaats vonden. Zij benadrukte zijn sterke persoonlijkheid, verbonden met zijn grote nederigheid. Ook de opvallende capaciteit om zich aan andere mentaliteiten aan te passen en tevens zijn grote gevoelens om begrip te tonen en hartelijk te zijn, brachten als gevolg met zich mede dat allen zich volledig begrepen voelden. Genegenheid en sterkte om te berispen, bewust van het belang om met getrouwheid de geest van het Werk te beleven zoals de Heer deze in handen van de Heilige Josemaría had neergelegd.

De Heer Antonio Gil sloot de zitting door, naast andere herinneringen, zich te centreren in zijn commentaren rond de laatste momenten van zijn ziekte en overlijden, in Barcelona, op 7 december 1972. Hij legde bijzonder sterk de nadruk op zijn uitertst sterke persoonlijkheid: optimist en blij, hartelijk opvangende houding vol natuurlijkheid; helder en direct. Hij berispte steeds wanneer hij dacht het noodzakelijk was; hij was snel in het aanbieden van excuses. Ook legde hij uit de laatste ontmoeting van de Heilige Josemaría met Don José María Hernández de Garnica, in het Centrum van het Opus Dei aan de straat Balmes, op woensdag 22 november 1972, toen hij in zijn ziekte reeds zeer ver gevorder was, toen hij nauwelijks meer kon spreken. Bij het afscheid nemen van de Heilige Josemaría, Don José María maakte aanstalte om te knielen en zijn voeten te kussen. Toen de Heilige Josemaría het in de gaten kreeg, omhelsde hij Don José María en zei, met een aragonees accent; “Chiqui, laten wij het fest. In vrede eindigen”. Hij hief hem op, gaf hem twee zoenen en een omhelzing en onze Vadere¡ vertrok terwijl hij weende. Dezelfde Heilige Josmaría verhaalt dit tijdens enkele “tertulias” (gezellige familia bijeenkomsten), die gezien werden in het DVD dat de aanwezigen zojuist hadden kunnen zien. Zij toespraak eindigde met eraan te herinneren dat in de rouwkapel van Don José María een krans bloemen die ontvangen werd vergezeld door een visitekaartje, duidelijke herkenbaar aan een vrouwelijke handschrift, met de woorden: “Aan onze Don José María, met een herinnering aan zijn grootse priesterlijke werkzaamheid ten behoeve van de apostolische aktiviteiten die door de vrouwen van het Werk tot ontwikkeling waren gebracht.

Meester van goed humeur

D. José Luis Soria, Canadá 2009

Don José Luis Soria, Canada 2009Wij halen hierbij aan een deel van een interview in de web van de Reilige Josemaria, met Don José Luis Soria, “Meester van goed humear”, waarin hij het over zijn reactie heeft bij de ziekte van Don José María Hernández de Garnica. Don José Luis Soria, leerde de Heilige Josemaría in 1953 kennen. Hij is arts, en Word tot priester gewijd in 1956, en vanaf dat moment, tot de laatste dag wanneer de Reilige Josemaría stierf, leefde hij naast hem, in Rome. Nu voert hij zijn priesterlijke taak uit in Canada.

Roma, 23-4-1973

Wat was zijn reactie tegenover gebeurtenissen die objectief slecht waren: lasterpraatjes, gebrek aan loyaliteit aan Christus, of tegenover de ernstige ziekte of overlijden van een dierbare persoon? Ik heb hem altijd zien reageren met een grote bovennatuurlijke zin, al seen mens met een groot hart en met een authentieke geloof. Volgens de natuur van de tegenspraak, kon hij reageren door droevig gesteld te worden indien de gebeurtenis een gebrek aan getrouwheid aan Jesus Christus, zowel wanneer het een laster betrof of een gebrek aan edelmoedigheid met God. Maar hij paste op zichzelf de formule toe die hij ons aanried: bidden, zwijgen, glimlachen, vergeven.

Guatemala, 19-2-1975

Ik herinner mij zijn smart, en zijn vrede tegelijkertijd, toen hij de medische inlichting ontving inzake de ziekte waaraan Don José María Hernández de Garnica, een van de eerste drie gewijde priesters van het Opus Dei leed (en waaraan hij zou overlijden). Hij verzocht mij om hem het bericht te willen uitleggen volgens alle de details dat in een technisch medische taal was geschreven, en toen ik hem de betekenis begon uit teleggen van de diagnose en de ernstige medische voorspelling, begon de Heilige Josemaría te wenen op een ontroostbare manier. Toen ik met het lezen klaar was, zei hij mij: vergeef mij, mijn zoon, het slecht voorbeeld dat ik jou heb gegeven, maar op zez manier heb je tevens kunnen zien dat ook de Vader een hart heeft. En vervolgens bad hij zeer langzaam, als het ware het beproevende, het gebed dat hij in het punt 691 van De Weg had neergeschreven: De allerheiligste en allerliefdste Wil van God worde geschied en vervuld, boven alles.- Amen.- Amen.

Een christelijke gezin: smaak van thuis

Wij reproduceren hierbij enkele bladzijden uit “Aantekeningen uit het leven van de stichter van het Opus Dei”, van Salvador Bernal. Er wordt hiermede uiteengezet het lijden en de genegenheid van de Heilige Josemaría tegenover de ziekte van Don José María Hernández de Garnica alsmede van andere leden van het Opus Dei.

Op 25 mei 1975 ontving de Reilige Josemaría in zijn geboortestad Barbastro, de gouden medaille van deze Stad.

“Heel vaak –legt Don José Luis Múzquiz uit, een van de drie eerste priesters van het Opus Dei samen met Don Álvaro del Portillo en Don José María Hernández de Garnica- heb ik de Vader lange tijden zien doorbrengen naast een zieke, waarmee hij hem met bovennatuurlijke visie vervulde, en hem over dingen vertedle die hem konden verstrooien, of een of andere geestelijke norm met hem deed”.

In de jaren zeventig, toen Don José María Hernández de Garnica erg ziek begon te zijn –Mons. Escrivá de Balaguer noemde hem altijd bij zijn familienaam, “Xiqui”-, in februari 1972 ontving Don José Luis Múzquiz een brief van Don Álvaro, waarin hij hem verhaalde dat “Xiqui in zeer slechte gezondheids toestand verkeerde”, en dit betekent dat “de Vader kilt dat ik dit jou rechtstreeks schrijf opdat jij voor hem bid”. Bij het lezen hiervan, herinnerde Don José Luis zich dat, gelijk als bij de ziekte van Isidoro Zorzano –net als de moeders die naast hun zieke kleine kinderen staan- de Vader het voorgevoel had dat hete en ernstig geval betrof, de medische prognose in aanmerking genomen.

Hetzelfde gebeurde in dit geval: Don José María Hernández de Garnica was naar Rome gereisd en zodra de Vader hem had gezien, zond hij hem onmiddelijk opdat men hem een grondig medisch onderzoek zou houden.

Op de dag vóór het Feest. van María Onbevlekte Ontvangenis -7 december 1972- overleed Don José María in Barcelona. Kort daarop, ontving Don José Luis Múzquiz een brief vanuit Rome:

Ik heb zojuist het uiterst pijnlijk bericht ontvangen van het overlijden van Txiqui (r.i.p.). Hij is zeer goed door de Heer gezuiverd ontvangen. Ik kan jou niet verbergen dat ik geleden heb –ik lijd veel-, dat ik geweend heb.

Draag vele gebedeb op voor zijn  zielelrust, en vraag aan allemaal dat zij he took doen, hoewel ik ervan overtuigd bend at hij ze reeds niet meer nodig heeft. Draag hem –zoals ik het reeds vanaf het eerste moment gedaan heb- alles wat jij in je hart draagt op, want Chiqui zal door blijven gaan met het duwen, zoals hij steeds heeft gedaan, nu zeer dicht bij Onze Lieve Vrouw.

Blijf serene en behoud de vrede: de Heer weet beter.

Zowel bij de dood, als bij het leven. Encarnación Ortega onderschrijft de fijngevoelige tederheid van de Vader: “Hij doorzag onze zorgen, onze gevoelens”. En zij verhaalt zeer concrete uitingen van hoe hij erin slaagde samen te verenigen zijn tederheid –moederlijk- met de energie op het moment van een berisping te doen en de sterkte van een vader die weet weet hoe hij van zijn kinderen moet eisen, ook omdat hij van hun houdt. Zo b.v., wanneer er in Rome vrouwelijke leden van het Werk aankwamen, in het algemeen om hun studies daar te verrichten, zorgde hij ervoor dat wij hun aanpassing aan het milieu zouden vergemakkelijken, vooral indien zij van verre landen aankwamen, die zeer verschillend waren: hun de lasten van het klimaat te voorkomen, gedaan zien te krijgen dat zij zich geleidelijk aan aan de italiaanse keuken zouden wennen, hun het gezelschap te verschaffen van mensen die hun taal zouden beheersen.

Encarnita Ortega was in september 1960 in Londen. Kort daarvoor waren enkele vrouwen van het Werk naar Osaka en Nairobi gereisd. Zij begonnen het apostolisch werk van het Opus Dei. Zoals trouwens altijd, met zeer weinig materiële middelen. De Stichter, die in diezelfde dagen in Londen verbleef, voelde in zijn hart de drang om haastig hun op te bellen ten einde direkte berichten van hen te ontvangen. Hij vroeg hoeveel dit zou kosten, en berekende vervolgens uit dat, door zich van enkele kleine dingen te ontzien, deze uitgave gedaan zou kunnen worden. En hij deed het dan ook zo. De Vader was door zijn hart overwonnen.

Maar de liefde sloot geenzins de sterkte uit, date en andere manier was om die liefde tot uiting te brengen. Hij liet nooit n ate berispen: noch in ernstige zaken, waarin kernaspekten van de geest van het Opus Dei op het spel stonden, noch in kleine dingen, ogeschijnlijk van geen belang.

Hij wist te berispen omdat hij wist te beminnen. Zijn waarschuwingen waren niet pijnlijk, ze sloegen niet ter neer. Hij legde ere en zodanige tederheid bij –ook al was de berisping nog zo energiek en duidelijk-, dat iedereen zich bemind voelde en ertoe aangespoord de dingen goed te doen.

Deze liefde bepaalt dat het Opus Dei een gezin is, zonder eufemisme. En deze liefde heeft zeer in het bijzonder betrekking op de families van de leden van het Werk.

Een vrucht van zijn meditatie van het vijfde blijde geheim van de Heilige Rozenkrans –Jesus wordt in de Tempel wedergevonden-, liet de Stichter van het Opus Dei geschreven: (…) En, terwijl wij getroost worden met de blijdschap omdat wij Jesus hebben werdergevonden<-drie dagen van afwezigheid!- terwijl Hij met de Meesters van Israel discussieerde (Lc., II, 46), zal in he hart zeer diep geworteld worden jouw en mijn plicht om onze dierbaren thuis achter te laten om de Hemelse Vader te dienen.

Het was een duidelijke plicht, die altijd in de Kerk beleefd is geworden. Maar ook, steeds wanneer het mogelijk is, heeft de Stichter van het Opus Dei gewild dat de leden van het Werk die niet bij hun ouders woonden hun in de moeilijke ogenblikken toch zouden begeleiden, ten minste –wanneer het onmogelijk zou zijn om fysiek naast hunt e zijn- met hun onophoudelijk gebed, met hun onophoudelijke brieven, of met het gezelschap van andere leden van het Werk.

Hij heeft dit aldus beleefd. En hij heeft dit zo aan de jongere leden leren beleven, die –vanwege hun temperament, haast zou ik zeggen wegens de wet van het leven- soms hun liefde en dankbaarheid jegens hun ouders met een bepaalde en ogenschijnlijke –soms gewoon wegens luiheid- afstand zouden bedekken.

Zoals Don Remigio Abad erbij aantekent en die sedert vele jaren kapellaan is van Xaloc, een apostolische onderneming van het Opus Dei in Hospitalet de Llobregat, “hij leeerde mij om mijn ouders met een intensere tederheid te beminnen; bij verschillende gelegenheden vroeg hij mij –hij wist dat ik lui was in het schrijven-: Hoeveel dagen is het geleden dat jij je ouders heb geschreven? Hij bad dagelijks voor hen in de Heilige Mis-.

In gevallen waarbij men hem over ouders vertelde die niet geheel tevreden waren met het feit dat hun kinderen lid van het Werk zouden zijn, dan was het, over het algemeen genomen, en geheel terecht, hun eigen schuld. Omdat zij niet trouw wisten te zijn, in de praktijk, aan de geest van het Werk. Een Brasiliaanse moeder schreef in 1974 aan haar zoon, nadat zij Mons. Escrivá de Balaguer had leren kennen:
“Lieve kind:

Nadat zeven jaren zijn verstreken, kan ik jou wederom recht in je ogen kijken en zeggen: waarlijk is het beter zo geweest. Het moet werkelijk zo zijn.

“Nu kan ik een kruis zien, een kerk, zonder pijn in mijn hart te voelen. Ja, nu kan ik zien dat men jou niet van mij beroofd heeft. Dat jij moest vertrekken. En dat jouw wereld wonderbaarlijk mooi is.

“Jij, mijn zoon, je bent een bevoorrechte iemand. Wat heeft mij de Vader doen veranderen! Hij heeft mij jou aan mij teruggegeven. En tegelijk aan God, die ik nu kan beminnen.

“Mijn zoon, probeer de leer van de Vader n ate volgen. Immers, voor mij is het alsof het dezelfde Liefde van Christus was”.

Het hart van de Stichter van het Opus Dei was daadwerkelijk vaderlijk. Daarom begreep hij heel goed de gevoelens van de ouders. En daarom hield hij steeds rekening mee met de gezinnen van de leden van het Werk. Wanneer de  noodzaaak van de arbeid hun ver van ze wegnam, moedde hij hun steeds eraan dat zij hun vaak zouden schrijven, dat zij hun blijde berichten zouden schrijven, dat zij hun aan hun vreugde deelachtig zouden maken: immers, het geluk van de zoon is wat het meest het hart van de ouders vervult.

Zo beleefde hij dit met allemaal, zelfs in de verschrikkelijke tijden van de Spaanse Burgeroorlog. Zo,  raakte Enrique Espinós Raduán ontroerd, toen hij enkele uren met de Vader samen kon zijn in Valencia in October 1937, toen hij daar op doorreis was naar Barcelona. Espinós ging samen met zijn neef Francisco Botella afscheid van hem nemen op het station. Van dit onderhoud bewaart hij een grote indruk van sereniteit en van vrede, van grenseloos vertrouwen in God. Later zou Paco zich bij Don Josemaria in Barcelona voegen, en zou met hem samen de vluchttocht over de Pyrinëen ondernemen. Enkela maanden later begon Enrique Espinós brieven van Isidoro Zorzano te ontvangen waarin hij detatils over de stappen van Valencia tot Burgos vertelde: “Het was een teken van uiterst fijne naastenliefde jegens mij en jegens de ouders van Paco; er was geen twijfel aan dat hij dit deed op voorstel van de Vader, aangezien ik persoonijk Isidoro niet kende”.

Ook Don Pedro Casciaro heeft de gelegenheid dit gedurende enkele dagen te onervinden. Hij had vaak met de Stichter van het Werk over het geestelijk leven van zijn vader gesproken, een mens met vele menselijke deugden en vol goedheid, maar die vanwege zijn zorg om de omstadigheden van de arbeiders te verbeteren zich gedrogen voelde om aan een politieke partij deel te nemen die hem tot houdingen voerde die steeds meer antiklerikaal waren. Binnen die sfeer, trok hij zich geleidelijk aan van uiterlijke godsdienstpraktijken terug. Don Josemaría ried Pedro aan om hem vol vertrouwen aan Onze Lieve Vrouw aan te bevelen. In December 1937, nadat zij Andorra hadden bereikt, wilde hij langs Lourdes reizen alvorens naar Spanje terug te keren. Pedro bereidde zich erop voor hem de Mis te dienen die hij ging opdragen. Reeds aan de voet van het altar, keerde hij zich delikaat tot hem om, die reeds geknield was, en zei hem zachtjes: –Ik veronderstel dat je de Mis voor jouw Vader zult opdragen, opdat de Heer hem vele jaren van christelijk leven zal schenken. Don Pedro Casciaro raakte verbaasd hierover: “Werkelijk had ik niet in mijn gees tom deze intentie te bidden, maar ik antwoordde op dezelfde toon: -Ik zal het doen Vader”.

Toen de oorlog eindigde, moest zijn vader in balingsschap gaan. Hij leed hierdoor vele ontberingen, maar de Heer bewoog hem ertoe als een vrome christen te gaan leven, vol van een eerlijke vroomheid. Gedurende de laatste elf jaar van zijn leven –hij overleed vol vrede op 10 februari 1960, op de dag vóór het Feest. van Onze Lieve Vrouw van Lourdes- is hij een mens van gebed en van dagelijkse Mis en Communie. Hij beminde veel de Stichter van het Opus Dei en was Medewerker van het Werk.

Toen het Opus Dei over de hele wereld groeide, verminderde zijn genegenheid geenzins. Het is iets dat niet aan menselijke oorzaken kan worden geweten: mensen van zeer uiteenlopende rassen en temperamenten, die niet eens het Spaans kenden en die Mons. Escrivá de Balaguer nooit persoonlijk hadden gezien, gingen met hem om –zij hielden van hem- als met een echte Vader. En hij was dan ook een ware Vader. Dit lie teen bekende Spaanse pedagoog weten, Victor García-Hoz, die hem in 1939 had leren kennen: “Een van de dingen die mij het meest de aandacht trok in de laatste jaren van het leven van de Vader was te kunnen zien hoe hij in de catechesebijeenkomsten voor talloze mensen, in bijeenkomsten met honderden en zelfs duizenden mensen, met hen wist om te gaan met een sfeer vol intimiteit. Dit was iets dat ik voor mij geen andere uitleg ervoor zie dan door een bijzondere genade van God”.

De Stichter van het Opus Dei had steeds aangeraden en zelf beleefd het persoonlijke apostolaat, van vriendschap en vertrouwen te beleven. Maar naar mate de groei van het Werk het onmogelijk maakte dat hij allen zou ontvangen en met ze spreken en met iedereen zijn leer te verschaffen, ontstonden op spontane wijze die soort “tertulias”, samenkomsten, waaraan soms zelfs over de vijfduizend mensen rondom Mons. Escrivá de Balaguer te vinden waren. Het was opmerkelijk te ervaren dat het nooit om zgn. massale bijeenkomsten ging, maar integendeel ze behielden een gezinssfeer. Iedereen voelde zich deel van dit gezin, deelgenoot van degenen die hem vragen stelde of iets vertelden: zowel een dame van tachtig jaar, al seen jongen van vijftien; een gehuwde man met vele kinderen of een ongehuwde vrouw; een arbeider, een universitaire professor of een filmartiest… De gespreksonderwerpen  ontstonden uit persoonlijke problemen of engerustheid. De Vader behiel de persoonlijke toon, intiem. En allemaal verenigden zich met dezelfde zorg en ontvingen hun antwoorden als waren zij tot iedereen in het bijzonder gericht.

Van enkele van dergelijke samenkomsten “tertulias” zijn er beelden in kleur en met direct geluid bewaard. Een van die films beschrijft beter dan vele bladzijden hoe de Stichter van het Opus Dei was en hoe hij van alle mensen hield die rondo m hem samengeperst waren. Op 16 juli 1974 was het tijdens een uiterst grote bijneenkomst in een enorme zaal van het Palacio de Congresos San Martín, in Buenos Aires. Er werd mee begonnen met enkele zeer korte woorden:

Het zal jullie niet verbazen als ik jullie zeg –want het zal jullie logisch lijken- dat ik vanochtend in de Heilige Mis, heel veel aan jullie gedacht heb; en ook tijdens de dankzegging. Ik heb de Heer om iedereen van jullie gebeden: voor zijn zorgen, zijn bezigheden, zijn liedes, zijn belangen, zijn tijdelijke en geestelijke gezondheid. Omdat ik jullie gelukkig wil hebben. En ik dacht eraan dat wij hier op een menigte zouden lijken. In het Opus Dei zijn we dit reeds eraan gewend, en wij weten dat wij niet zo zijn: wij zijn een gezin. Nadat we twee minuten met elkaar hebben gesproken, de menigte wordt een klein groepje mensen. Wij spreken met de genegenheid van een halve docijn mensen die elkaar begrijpen.

Kort hierna, vertelde een jongen uit Paraguay dat zijn moeder, die van het Werk is, overleden was terwijl zij voor de Stichter bad. Een vrouw, wiens echtgenoot lid van het Opus Dei was, wilde weten wat era an haar ontbrak om eveneens van het Werk te zijn. Iemand anders was bezorgd omdat, soms, de intensiteit van zijn beroepswerk het hem bemoeilijkte om ere en bovennatuurlijke zin aan te geven. Daarna, nam het word iemand van het Werk die daar samen met zijn moeder, die weduwe was, en bezorgd om wat van haar zoon terecht zou komen wanneer hij oud zou worden…Zij zegt dat ik geen gezin heb… En aangezien zij hier naast mij is, wil ik dat u haar vertelt dat wij een gezin hebben, waarin wij heel veel van elkaar houden, en dat bovendien wij altijd jong zijn, zoals U…

Mons. Escrivá de Balaguer belichte zijn antwoord met een oude anecdote. Op een keer, een grote persoonlijkheid viel een lid van het Werk aan, omdat hij, bij de beoefening van zijn burgerlijke vrijheid, zijn onenigheid met hem had uitgedrukt. Onder andere, sprak hij erover dat dit lid van het Werk geen gezin had. Toen, ging de Stichter van het Opus Dei bij hem op audiëntie, en zei tot hem:

Hij heeft een gezin; heeft mijn thuiswoning. Die persoonlijkheid bood hem zijn excuses aan. En ging verder: Jij weet dat jouw zoon een gezin heeft en heeft een thuiswoning; en hij zal sterven omgeven door zijn broers vol van genegenheid. Hij zal gelukkig leven en gelukkig sterven! Zonder vrees voor het leven en zonder vrees voor de dood! (…) Dit is de beste plaats om erin t eleven en de beste plaats om erin te sterven: het Opus Dei! Wat bevinden wij ons toch goed daarin, mijn kinderen!

Vele mensen ervoeren op die dag daar –in het Palacio de Congresos- dat dáár men de sfeer van de eerste christenen kon beproeven, dat men daar met slechts één hart vibreerde, met één enkele ziel, met één enkele genegenheid. En men begreep daadwerkelijk dat het Opus Dei een gezin is, vol van menselijke genegenheid en heilige delicatessen.

Twee jaar daarvoor, op 22 november 1972, in Barcelona, een jong meisje verklaarde aan de Vader bij een soortgelijke samenkomst:

-Op de andere dag was ik ook aanwezig bij een “tertulia” met U. Bij de uitgang, zei mij een vriendin:

-Heb je niet opgemerkt dat die priesters die daar met de Vader waren, beslist zeker dat zij van hem duizenden malen dezelfde diengen hebben horen zeggen? En niettemin, met wat voor genegenheid zij hem aankeken! Wat houden de mensen van het Opus Dei toch veel van elkaar!

Het antwoord kwam snel, onmiddelijk, het ontroerde:

-Jawel! Wij beminnen elkaar! Ja meneer. Wij beminnen elkaar! En dit is het beste wat men van ons kan zeggen. Immers, van de eerste christenen zeiden de heidenen: Zie hoezeer zij van elkaar houden.

Gedenkmis in het jaargetijde 9-XII-2009 (Bulletin van Montalegre)

De priveedevotie tot de Dienaar Gods José María Hernández de Garnica is in de laatste gedenkmissen in de Kerk voor hem, in het bijzonder opgevallen.

Op 7 december 2009 was het 37 jaar geleden dat de priester José María Hernández de Garnica zijn ziel aan God opdroeg. In de homilie ter gelegenheid van de noveen voor de Allerheiligste Onbevlekte Ontvangenis van Maria bracht men in herinnering hoe de eerste stappen van zijn priesterschap in Barcelona ondernam, waar hij na een lange en vruchtbare apostolisch leven over de hele wereld terug zou komen, en alwaar hij uiteindelijk zou overlijden. Hij ligt thans in het Kerkhof van Montjuic begraven. (*: Zijn stoffelijk overschot rust un in het Kerkhof van Montjuic in Barcelona, in panteón nº 33 van de Agrupación 11 aan de Via de la Santísima Trinitat).

Overlijdensmissen voor zijn zielerust:

Behalve deze betekenisvolle referentie, werd een speciale mis voor hem opgedragen op 9 december en aangezien er in het huidige liturgische tijdperk van de adventstijd enkele veranderingen in kunnen aangebracht, zoals bij gelegenheid van jaargetijden van overledenen, zo werd er gehandeld voor de priester José María. Met deze inleiding bereidde de Rector van de Kerk van de Heilige Maria van Montalegre ons voor om voor zijn zielerust de bidden. In de homilie herinnerde hij aan het voorgenomen compromis van vorig jaar bij dezelfde omstandigheden: namelijk om jaarlijks een mis bij zijn jaargetijde te vieren. Manden tevoren, op 17 maart 2008, was het diocessane proces voor zijn zaligverklaring afgesloten dato p 28 februari 2005 was begonnen.

Eenmaal de vestibule van de Kerk achtegelaten, en reeds binnen de tempel, waren er voor iedereen die het wilde, informatiebulletins die over zijn leven gaan, alsmede bidprenten die uitnodigen tot het voeren van de privee devotie voor de Dienaar Gods. Niettemin, zei de Rector, het is nodig te denken wat het betekent een openbare verering te voeren voor een burger van wie men kan denken dat hij reeds in de hemel is. Indien aldus zou worden gehandeld dank an het zelfs gebeuren dat het zaligverklaringsproces wordt stopgezet, omdat in zuke omstandigheden men terzake geen enkel besluit kan voeren. En eenmaal het process is stopgezet, is het noodzakelijk dat er een zekere tijd voorbij laat gaan, en in de Kerk kan dit ongeveer honderd jaar betekenen…

Wij zijn ervan overtuigd dat het leven van Don José María heilig is.

De christen weet goed aan te voelen wanneer iemand tijdens zijn leven heilig is. Maar het is altijd nodig dat de Kerk dit vaststelt, het is onmisbaar dat de Heilige Vader dit verklaart. Vanaf dat moment is het wanneer met openbare verering kan voeren. Intussen, Mn. Francesc Perarnau zei on swat wij wel konden doen, en dit is bidden. En als de Dienaar Gods José María reeds heilig is het gebed gaat nooit, nooit verloren.

Op bevestigende wijze verklaarde hij: “Wij zijn er zeker van dat het leven van Don José María heilig is”. En het is belangrijk de repercussie, het impact te beschouwen dat dit op de mesen heeft. Indien wij in zijn heiligheid geloven dan moeten wij dit bekend maken, en vooral dat men tot hem dingen aanbeveelt, dat men hem om gunsten bid omdat op deze manier hetzaligverklaringsproces zijn voortgang zal kunnen plaatsvinden. Als wij dit geloven dan moeten wij ons ertoe compromiteren. Hij voegde eraan toe dat het wonder iets fundamenteels is dat plaats dient te hebben. Maar dit hangt niet meer van ons af, niettemin, wij moeten ze aan hem afsmeken. En hiervoor zijn de bidprenten en de informatiebulletins over het leven van deze Dienaar Gods zeer nuttig.

De Rector stelde ons voor het jaar 2013 wanneer zijn honderdste geboortejaar zal plaatsvinden, en met de hartewens dat de mogelijkehid opdat op die datum het zaligverklaringsproces vooruitgang zal hebben geboekt, immers hij is reeds vanuit de hemel druk aan het uitoefenen ten gunste van ons dit van hem af te smeken. En indien hij on seen gunst bewijst of een wonder schenkt, dan behoren wij het op schrift te zetten en het in deze kerk te deponeren.

-Voor nader inlichtingen, kan men andere berichten vinden in de web van de Kerk van de Heilige Maria van Montalegre www.montalegre.org.

-Alsmede in het nieuwe blog van Don José María http://hernandezgarnica.wordpress.com/novedades/.

Isabel Hernández 10-12-2009

José María Hernández Garnica, Numerair priester van het Opus Dei

Een nieuwe wereld

José María Hernández de Garnica werd in Madrid op 17 november 1913 geboren, in een welgestelde christelijk gezin. De kenmerken van zijn kindsjaren alsmede die van zijn adolescentie zijn die van een verantwoordelijke en goede christelijke jongen, “Chiqui”, zoals velen hem noemden, studeerde voor ingenieur in de Mijnbouwkunde, zeer intensief, en behaalde de eerste plaatsen (de vierde, de tweede, de derde) bij de verschillende promoties van iedere cursus.

In het najaar van 1934, kort nadat hij zijn vader had verloren ten gevolge van een ziekte die hij in die zomer had geleden, keerde hij naar Madrid terug. Er begon hiermede een nieuwe fase in zijn leven. Een klasgenoot, Mateu Azúa, nodigde hem uit het Studentenhuis DYA te bezoeken, een apostolische onderneming van de Heilige Josemaría.

Bij zijn aankomst in het Studentenhuis zag hij dat men bezig was met materiële reparaties te verrichten, en de Heilige Josemaría, op hartelijke en spontane wijze nodigde hem uit om eraan mee te werken:

-Man!, Chiqui, heel goed! Hier, pak deze hamer en enkele spijkers en, halaa!, begin daaarboven vast te nagelen.

Deze vertrouwelijke beginwijze beviel hem heel goed en heel gauw begon hij met de Vader, zoals men de Stichter van het Opus Dei placht te noemen, zijn geestelijke leiding te hebben, en zodoende aan zijn leven de christelijke boodschap van de Heilige Josemaría toe te voegen: de heiliging in het dagelijks leven door middel van het dagelijks werk.

Jaren later herinnerde hij deze gebeurtenis: “daar kon ik een nieuwe wereld voor mij ontdekken (…) die eruit bestond de volle betekenis van de roeping en van de christelijke deugden te ontdekken, de omgang met God aan te leren totdat ik het begrip van zoon van God te zijn. En dit alles langzaam, maar constant, de beklimming te began van de christelijke deugden”.

Geleidelijk aan, begon God zich met een steeds grotere intensiteit in zijn leven in te mengen, totdat hij ontdekte dat Hij van hem vroeg zijn gehele leven over te geven ten dienste van het Opus Dei. Hij beantwoorde vol grootmoedigheid aan de roeping van God op 28 juli 1935.

Buegeroorlog

Een jaar later ontplofte de Spaanse Burger Oorlog en net als zo vele jongens van zijn generatie, onderging hij veel avonturen. Op 10 november 1936 werd hij gevangen genomen in de Cárcel Modelo, aangeklacht wegens tegenstrijdigheid met het geldende politieke regime en werd ter dood veroordeeld door een volks tribunaal. Daar vandaan verhuisde men hem naar de gevangenis van San Antón, waarvandaan  velen eruit gehaald werden om op ongediscrimineerde wijze te fusilleren

Iemand die hem hem toen leered kennen verhaalt: “Mogelijk liet in zijn hart gegrieft al wat hij gedurende die maanden van gevangenis in de Spaanse Burger Oorlog heeft moeten lijden. Het feit dat hij de zekere en dichtbijzijnde dood heeft moeten zien, heeft in hem beslist zijn ogen geopend ten aanzien van het weinig dat al het aardse voor iemand betekent. Don José María vertelde ons dit tijdens “tertulias” (samenkomsten) enkele keren: hij was reeds ter dood veroordeeld en men had hem reeds in een vrachtwagen gestopt met alle anderen die gefusilleerd moisten worden, toen een uit de wachthouders hem zeide: -Jij, kom naar beneden.

Zo werd zijn leven gered. Alle anderen warden doodgeschoten. Ik denk dat al deze ervaringen wellicht ertoe hebben bijgedragen dat Don José María zo onthecht heeft geleefd ten opzichte van al het aardse alsmede van zijn eigen leven”.

In februari 1937 werd hij naar een gevangenis in Valencia overgebracht, alwaar hij volledig gëisoleerd  werd gehouden gedurende enkele maanden, totdat hij in de maand juni in vrijheid werd gesteld.

Maar met de vrijheid kwam nog niet de vrede: nadat hij in Rodalquiar had gewerkt, alwaar hij bijna stierf ten gevolge van een hinderlaag, moest hij naar Valencia terugkeren om ingelijfd te worden in het Republikeinse leger. Hij kreeg als bestemming de verbindingsafdeling in Madrid, een front zonder enige aktiviteit, en waar hij opnieuw de Stichter van het Opus Dei kon ontmoeten, die hem moed insprak m.b.t. zijn moeilijke situatie.

Toen de ooslog eindigde José María had fysiek zeer veel te lijden ten gevolge van de gebeurtenissen die hij in de gevangenis en in het front had moeten verdragen. De Heilige Josemaría moedigde hem veel in zijn brieven die hij hem schreef, zoals b.v. in deze d.d. 27-IV-1939:

“Mijn geliefde Chiqui: door jouw wensen kan jij eruit opmaken die die ik heb, om jou te omhelzen en met jet e spreken. Indien jij mij nodig hebt, zal ik onmiddelijk een reis naar je toe ondernemen ook als het naar de andere kant van de wereld. Jij hebt het word. Heb moed. Na alles wat je hebt moeten lijden (…), heb je nodig een herstel periode. Daarna…zal je zien hoe goed jij zult reageren en hoe goed je zult werken!

Op mart 1940, toen hij fysiek redelijk hersteld was, beëindigde hij zijn studies. Francisco Ponz herinnerde hem zich als volgt: “Lang, ogenschijnlijk krachtig alhoewel zijn gezondheid niet zeer goed was, donker haar en brede front, levendige ogen en scherpe en vlonkerende zicht, hij was iemand met wie men aangenaam kon omgaan en hij was eenvoudig. (…) men voelde zich zeer goed naast hem, vanwege zijn scherpzinnig gedachtenmanier, de edelheid van zijn hart en de duidelijkheid van zijn spreken vole en sterke en diepe genegenheid”. Hij beschrijft hem als “een man die loyaal was ten koste van iedere beproeving, hij beleefde zijn roeping tot het Opus Dei vol getrouwheid aan de Heer en aan de Stichter en hieraan was al het andere onderworpen”.

Priester

“Die eerste naoorlogse spaanse oorlogsjaren, toen men materieel gezien geheel opnieuw moest beginnen, van nul afaan –vertelde  José María- zijn zeer harde jaren geweest, vanwege de uiterste omstandigheden waarin we leefden: de vervolging van de goede mensen, met zoveel laster die op het Werk drukte; het gebrek aan materieele middelen”.

In 1940 had de Stichter hem de mogelijkheid voorgesteld om tot priester gewijd te worden en José María beantwoorde met grote edelmoedigheid: “De Vader had ons duidelijk laten zien –herinnerde hij zich- de noodzaak die het Werk had om priesters te hebben die tot het priesterschap zouden moeten komen nadat zij onze eigen roeping hadden beleefd, om te helpen met hun predeking –in overeenstemming met de richtlijnen die door de Vader warden vastgesteld- in de vorming van hun broers en om met de geestelijke leiding meet e helpen, vooral middles het Sakrament van de Boetvaardigheid”.

Hij wist gedurende die tijd zijn beroepswerk met zijn kerkelijke studies te verenigen, net als dit door Álvaro del Portillo en José Luis Múzquiz gedaan werd, samen met wie hij door de Bisschop van Madrid, Mons. Leopoldo Eijo y Garay op 25 juni 1944 tot priester werd gewijd. Dit was de eerste priesterwijding van leden van het Opus Dei.

Op de foto, van links naar rechts, José Luis Múzquiz, in heiligheidgeur overleden; de Dienaar Gods José María Hernández de Garnica; de Reilige Josemaría en de Dienaar Gods  Álvaro del Portillo, wiens zaligheidsverklaringsproces recentelijk is aangevangen.

Vanaf het begin van zijn priesterlijke arbeid ontwikkelde Hernández de Garnica een zeer uigebreide taak m.b.t. de geestelijke leiding, me talle soor mensen, in het bijzonder met jonge universitaire studenten, en zeer speciaal gecentreed op de ontikkeling en de vorming van de aktiviteiten met vrouwen.

“De liefde tot God die Don José María –herinnert zich Dora Calvo- voerde hem ertoe een buitengewone apostolische ijver te voeren. Hij sprak tot ons dat wij ons moesten inspannen om alle zielen van heel de wereld dichter bij God te brengen. Deze universaliteit in het apostolaat inte hij in ons met zo’n grote kracht dat, zou ik durven zeggen, juist hierom wij zo natuurlijk zagen dat wij ons naar andere landen zouden moeten reizen om aldaar het werk aan te vangen, zoals wij dit reeds in die jaren aan het doen waren”.

Vanaf eind 1954 en in de eerste maanden van 1955, ondernam hij een lange reis door America, met de bedoeling de gang van zaken in de apostolaten die reeds jaren eerder daar begonnen waren te versnellen: De Verenigde Staten, Mexico, Guatemala, Venezuela, Colombia, Ecuador, Perú, Chili en Argentinië.Enkele maanden later, reisde hij naar Engeland en Ierland met dezelfde bedoeling. Vanaf 1957 tot 1972 was hij in vele Europeese landen om de aanvangswerkzaamheden van het Opus Dei te bespoedigen: Frankrijk, Ierland, Duitsland, Oostenrijk, Engeland, Zwitserland, Nederland, België… De taak om de weg te bakenen om de boodschap van Christus te openen vereisde van hem veel standvastigheid en voortdurend nieuwe problemen aan te pakken: cultuur, talen, apostolisch werk met mensen die afkomstig waren uit verschillende godsdiensten, voedinsgewoonten, enz. Degenen die daar met hem gewerkt hebben herinneren zich terdege zijn onwrikbaar geloof in God alsmede de zekerheid dat met het gebed, de versterving en de onoophoudelijke arbeid de appostolische vruchten zouden komen. De ondervinding van de schaarse krachten waarover hij beschikte in verhouding tot de omvang van de evangelisatietaak die hij aan moest, voerden hem geenzins tot de ontmoediging, noch tot de wanhoop. Hij verhelderde dit alles eens tijdens een meditatie:

“Indien wij trouw aan de roeping van God willen blijven en een efectieve en onophoudelijke dienst verrichten, dan dienen wij goed voor ogen houden dat de belangrijkste handeling die van God is –zijn genade- maar het is tegelijkertijd onmisbaar dat we rekening houden met het feit dat de instrumentele arbeid van de mens die hij met zijn eigen handeling verricht wel onmisbaar is maar die door de genade van God tot een bovennatuurlijke arbeid verheft. Deze intrumentele arbeid vereist bereidheid, vorming en volgzaamheid met betrekking tot de goddelijke arbeid”.

Dit bevestigt Dr. Steinkamp t.a.v. Nederland: “Hij bezat een groot geloof in God. Het was in hem een onophoudelijke visie bij zijn gesprekken met ons, dat wij in God moisten geloven”. Zijn liefde tot God kwam in het bijzonder tot uitdrukking tijdens de Eucharistieviering: “Zijn liefde voor de Mis

-vertelt Eileen Houriman- en zijn manier waarop hij deze vierde brachten in degenen die deze bijwoonden een zeer grote devotie. De zo devote wijze waarmee hij het altar kusde, juist bij het begin, leite jou zien dat het hier om de belanrijkste afspraak van de dag ging”.

“Zijn liefde tot God was zichtbaar wanneer hij de Mis vierde –herinnert zich José Gabriel de la Rica-. Hij concentreerde zich zonder verstrooid te raken, op de woorden, las langzaam met inspanning, omdat hij de neiging had zeer snel te lezen. Ik kon dwars van linksboven naar rechtsbeneden lezen, maar bij de Mis hield hij zich op bij iedere pause en spande zich erin elk woord uit te spreken”.

Over heel Europa

De Heilige Josemaría bleef vertrouwen in zijn edelmoedige en verliefde overgave om het Opus Dei in zo vele landen van Europa te verrichten.

“Jouw brief heeft mij zeer veel getroost –zei hem de Heilige Josemaría- bij het aanschouwen van hoe zeer jij mij helpt, met jouw gebed en jouw versterving, om de last te dragen die onze Jesus op mijn schouders legt, en die jij heel goed weet dat zij zo vele malen erg zwaar drukt. Mijn hart raakt vol van vreugde bij het aanschouwen van de onophoudelijke uitingen van brandende ijver en van de bovennatuurlijke visie waarmede jullie allen werken”.

Een groot deel van de apostolische arbeid die hij verrichtte in de Europeese landenn bracht hem ertoe op broederlijke wijze vele lutheranen, calvinisten en anglicanen te leren kennen en met hen om te gaan. Met allen van hen zocht hij onmiddelijk een stroom van sympathie en van genegenheid de scheppen die in vriendschap werd omgezet. Hij was ervan overtuigd dat al hegeen van hem scheidde op het gebied van leerstellige materie, maar ook dat slechts het dialoog vol vertrouwen zou het nodige klimaat scheppen van een wederzijds vertrouwen.

Een priester met een open en begripvolle mentaliteit.

De sociale en culturele veranderingen in Europa rond eind jaren 60 vonden plaats op een duizelingwekkende snelheid en rond de jaren 1966 en 1969, vond er in Europa in ware revolutie plaats, in het bijzonder onder de jonge mensen. Kort daarop, in Barcelona, in de loop van 1972, wandelde Don José María rond in een school voor jongens.

De mode van het lange haar was met enige vertraging in Spanje aangekomen: “Ik herinner mij zeer goed –herinnert een leraar die hem vergezelde- een anekdote waarmee zeer goed tot uidrukking kwam de wijze waarop hij de vrijheid van handelen respecteerde en verdedigde alsmede de manier van zijn van de mensen. Op een zondag wandelden ik samen met Don José María en met ons nog iemand die hem placht te vergezellen. Naast ons lie peen jongen met een nogal lange haardracht en niet al te goed verzorgd alsmede met een dichte baard, iets dat, in die jaren, niet al te vaak voorkwam. Degene die samen met ons liep zei als grap dat “ik, deze mensen, glad zou scheren en hun haar op nul zou laten knippen”.

Op dat moment, zei Don José María niets hierover; maar kort daarna, schreef hij in zijn agenda op, omdat hij op grond van zijn ziekte nauwelijks kon spreken, zijn vraag aan mij of er onder mijn leerlingen iemand met baard of lange haardracht was. Ten opzichte van mijn nogal heftig antwoord met de uitdrukking “in geen geval”, nnoteerde hij in zijn agenda: “Dit is tyranie” en voegde ere en comentaar bij over het respect dat wij dienen te hebben voor de vrijheid en de manier van handelen van alle mensen, zoals dit trouwens altijd door de Vader verdedigd was.

Hij comenteerde, zonder ere nig belang aan te hechten, dat als al diegenen die van het Werk zijn en naar andere landen zijn gereisd, met onze halstarigheid en onbegrip zouden hebben gehandeld, zij niets zouden hebben kunnen doen”.

Vanaf zijn jeugd, vanwege zij nieraandoening, heeft altijd een zwake gezondheid gehad, en begin 1970 begon zijn gezondheid ernstig aft e nemen. Zo vele jaren van grenseloze overgave, die hij met een buitengewone goede humor heeft gedragen, begonnen hem de rekening te presenteren aan zijn lichaamsorganen. Alejandro Digón, die toen met hem in Keulen woonde, herinnerde zich: “Don José María genoot niet van een normale sterke gezondheid ten gevolge van een reeks chirurgische operaties die hij in de laatste fase van zijn leven had moeten ondergaan, alsmede ten gevolge van de huidkanker waaraan hij leed. Niettemin, zolang hij over een minimale fysieke kracht beschikte, zette hij zich erover op aan te uitputting en streed ernaar het leefplan na te komen en het arbeidsplan op normale wijze, i.e. op heldhaftige wijze, uit te voeren. Hij bewees dezelfde sterkte t.a.v. de sutuwingskracht waarmede hij de apostolische plannen voorstelde”.

7 december, Vesper van het Feest van Onze Lieve Vrouw Onbevlekte Ontvangenis.

Zolang de ziekte het hem toestond, vierde hij de Heilige Mis, met alle mogelijke inkeer, waarbij hij voor de Kerk over heel de wereld bad, in het bijzonder die van Europa. “De vreugde bij het horen van de geode berichten over Nederland –schreef hij- is mateloos. Men kan zien dat het vuur reeds is aangestoken en het is nu een kwestie van aandringen, niet opgeven en doorgaan met de Heer te bidden op voorspraaak van Onze Lieve Vrouw”.

Op 22 maart overkwam hem een nogal ernstige hartscrisis. Nadat men verschillende medische opinies had gevraagd werd hem de ernst van zijn toestand medegedeeld, die hij met een grote bovennatuurlijke visie ontving. In die dagen, ontving hij een brief van de Heilige Josemaría:

“Ik heb jouw laatste brief ontvangen en ik dan ontzettend veel de Heer voor deze nieuwe diagnose, die mij nog harddrukkelijker de Heer en Onze Lieve Vrouw doen bidden voor jouw genezing. Ik dank ook Onze Lieve Vrouw voor de vrede en de galatenheid waarmede Zij in jouw ziel wil handhaven. Ga zo door, mijn zoon, want jouw lasten zijn een uitroeping van gebed tot Jesus Christus Onze Heer voor deze Heilige Kerk van Hem”.

Vol bewustzijn werd hij naar Barcelona overgebracht. De laatste maanden van zijn leven zijn waarlijk bijzonder pijnlijk voor hem geweest indien men het vanuit de fysieke toestand beschouwt; niettemin, wanneer hem vroeg over hoe hij zich voelde, of of hij goed had geslapen, antwoorde hij glimlachend met een “uitstekend” of “als de rozen”.

Zijn grootste lijden was niet de Heilige Mis te kunnen vieren ten gevolge van zijn gezondheidstoestand en, daarna, het niet eens te kunnen comuniceren. Hij overleed op 7 december, op de vooravond van Maria Onbevlekte Ontvangenis, met een benijdenswaardige vrede en sereniteit, allen dankende voor alle genegenheid waarmede zij hem hadden behandeld.

Sindsdien talrijke mensen richten zich tot God om hun geestelijke en materiële noden door zijn bemiddeling te willen schenken.

José Carlos Martín de la Hoz, Postulator